De orgels in de Lutherse kerk te Den Haag

De Lutherse kerk bezit twee historische orgels: het oorspronkelijk voor deze kerk gebouwde Bätz-orgel dateert uit 1762 en het kleinere Italiaanse orgel uit circa 1764. Het laatste instrument is eigendom van het Koninklijk Conservatorium te Den Haag en bevindt zich sinds 1992 in de Lutherse kerk.

Het orgel gebouwd door Johann Heinrich Hartmann Bätz (1762)

Al in het voormalige kerkgebouw van de Evangelisch-Lutherse gemeente van Den Haag bevond zich een orgel, in 1648 gebouwd door Hans Wolff Schonat. In 1668 herstelde orgelmaker Appolonius Bosch dit instrument. Vervolgens wijzigde in 1724 Rudolph Garrels het orgel, die zich even daarvoor als orgelmaker in Den Haag had gevestigd. Garrels verfraaide bovendien de kas van het oude orgel.

In het jaar 1753 maakte Johann Heinrich Hartmann Bätz een nieuw orgel in de bestaande kassen. Hierbij werd het pijpwerk van enkele oude registers in het nieuwe orgel opgenomen. In 1759 demonteerde Bätz dit orgel en sloeg het op vanwege de afbraak van het toenmalige kerkgebouw en de bouw van de huidige kerk. In 1762 volgde dan de oplevering van het nieuwe, huidige orgel, waarvan de aanleg nog grotendeels bewaard is gebleven. Bij de bouw gebruikte men de windladen van het hoofdwerk en het rugwerk uit 1753, de windladen van het pedaal en het bovenwerk dateren van 1762. Het pijpwerk van het hoofdwerk en het rugwerk dateert voornamelijk uit 1753, het pijpwerk van het pedaal en het bovenwerk is van het jaar 1762. Bätz nam in 1753 een drietal registers van het rugwerk over uit het voormalige orgel van Schonat, te weten Holpijp 8’, Octaaf 2’ en drie koren van de Mixtuur. Het vierde koor van de Mixtuur is vermoedelijk van de hand van Garrels. Dit pijpwerk bevindt zich nog immer in het huidige rugwerk.

luthorgelcomprc_kleinTot het jaar 1824 bleef het instrument in hoofdzaak ongewijzigd, klein herstel daargelaten. In1824 herstelt en wijzigt Jonathan Bätz, kleinzoon van Johann Heinrich Hartmann, het orgel. In 1837 werd het orgel dan opnieuw hersteld en gewijzigd door Jonathan Bätz, waarbij een aantal wijzigingen in de dispositie is doorgevoerd. In 1891 werden de frontpijpen vernieuwd door Johann Frederik Witte, die het bedrijf van Bätz voortzette. Hierbij werden ook de dubbelkoren van de Prestanten verwijderd en buiten gebruik gesteld.

In 1921 volgde de uitbreiding van het orgel met een zwelwerk, pneumatisch gevoed uit de laden van bovenwerk en pedaal. Een nieuwe Sexquialter II wordt geplaatst op het rugwerk en het orgel wordt voorzien van een electrische windmachine. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd door de orgelmaker A. Bik te Amsterdam. In 1948 voegde Bik twee registers op het bovenwerk toe, een Octaaf 4’ en een Scherp III st. De Salicionaal 4’ van Jonathan Bätz werd vervangen door een nieuwe Nasard 3’.

Vanaf het jaar 1988 startte een restauratie in fasen door Flentrop Orgelbouw te Zaandam. In 1988 werden de beide windladen van het pedaal hersteld, in 1995 die van het rugwerk, waarbij het register Sexquialter II st. werd gereconstrueerd.

Hoofdwerk Rugwerk Bovenwerk

Bourdon 16’

Prestant 8’

Roorfluit 8’

Quintadeen 8’

Octaaf 4’

Nagthoorn 4’

Quint 3’

Octaaf 2’

Woudfluit 2’

Mixtuur 5-8 st.

Cornet D 4 st.

Fagot 16’

Trompet 8’

Trompet 4’


Prestant 8’

Holpijp 8’

Octaaf 4’

Fluit 4’

Octaaf 2’

Flageolet 1’

Mixtuur 3-4 st.

Sexquilater 2 st.

Dulciaan 8’


Prestant 8’

Baarpijp 8’

Qunitadeen 8’

Octaaf 4’

Roorfluit 4’

Nasard 3’

Fluit 2’

Scherp 3 st.

Schalmy 8’

Vox Humana 8’

Zwelwerk Pedaal Pedaal zwelwerk

Holpijp 8’

Dolce 8’

Viola di Gamba 8’

Voix Céleste 8’

Fluit Harmonique 4’

Wouldfluit 2’

Trompet 8’

Trombone 4’


Prestant 16’

Bourdon 16’

Prestant 8’

Roorquint 6’

Octaaf 4’

Bazuin 16’


Subbas 16’

Bourdon 8’

Violoncel 8’

  • Tremulanten op Hoofdwerk, Rugwerk, Bovenwerk en Zwelwerk
  • Koppelingen
  • Afsluiters
  • Ventiel

Een grote restauratie van alle nog niet herstelde delen van het orgel is in de perode juni 2006 – september 2007 uitgevoerd.

Deze restauratie omvatte de windladen van Hoofdwerk, Bovenwerk en Zwelwerk, voorts de windvoorziening, speel- en registermechanieken, claviatuur, pijpwerk en orgelkas.

Uitgangspunt voor deze restauratie was de situatie 1762/1837 met behoud van het Zwelwerk uit 1921.

Het Italiaanse orgel

De herkomst van het Italiaanse orgel is onbekend. Wel is het orgel aan het front te herkennen als een instrument van Napolitaanse oorsprong. Het is vermoedelijk circa 1764 gebouwd.

Het instrument is via Rastatt (Duitsland) en Veurne (België) in Nederland terecht gekomen en aangekocht door het Koninklijk Conservatorium, waar het wordt gebruikt door de afdeling Oude Muziek.

Het orgel bezit nog een zogenaamd ‘kort octaaf’ en is gestemd in de middentoonstemming.


Dispositie

Principale 8’

Voce Umana 8’

Ottava 4’

Flauto in duodecima 2 2/3’

Quindecima 2’

Decimanova 1 1/3’

Vigesimaseconda1’

Zampogna (te verstemmen tongpijp)


Italiaans_orgel_klein